Over verf

Verf is een vloeibaar, pasteus of poedervormig, pigment bevattend product, bestemd om in dunne lagen op voorwerpen te worden aangebracht, waarop het door een filmvormingsproces overgaat in een vaste laag, die dient voor verfraaiing en/of bescherming.

Verf is een halffabrikaat, d.w.z. een product dat na verdere bewerking en droging pas in zijn definitieve eindtoestand komt. Meestal is de droge laag van een geschilderd voorwerp opgebouwd uit een aantal afzonderlijke lagen, welke onderling op elkaar moeten hechten en zo een verfsysteem vormen. Elk van de lagen in het systeem heeft z'n geheel eigen functie. Zo zorgt grondverf voor hechting, plamuur voor vulling en schuurbaarheid, dekverf of lakverf voor glans, vloeiing en weerstand tegen weer en milieu.

Geschiedenis van verf

Het gebruik van verf als zodanig (kleuren) is zeer oud. De oermens maakte reeds gebruik van verf voor versiering van het lichaam met als doel bepaalde delen van het lichaam opvallender te maken en aldus belangrijker te doen lijken. Ook het kleuren van gebruiksvoorwerpen en leefomgeving stamt al uit de prehistorie. Voorstellingen op grotwanden en grafvondsten hebben dit aangetoond. De verven die hiervoor werden gebruikt, waren meestal zogenaamde aardverven: zoals gele, rode en bruine oker, zwarte mangaanaarde, kalk en koolstof; pigmenten die ook nu nog worden toegepast. Deze pigmenten werden in water en/of dierlijk vet fijngewreven.

Bij de oude Egyptenaren (±3000 jaar voor Christus) treffen we pas belangrijke overblijfselen van schilderwerk aan. Tal van verfstoffen, zowel uit mineralen als van plantaardige of dierlijke stoffen bereid, waren hun bekend. Zo zijn er schilderwerken met een laklaag behandeld. Waaruit deze lak bestond, is nog niet achterhaald. Wel staat vast dat na 2500 jaar het geheel nog een glanzend en fris aanzien heeft, zonder ook maar een enkel spoor van scheuren of barsten.

Nadat in de 18e eeuw vanuit de ouderwetse draagstoel het rijtuig was ontwikkeld, ontstond er vraag naar steeds fraaier en duurzamer schilderwerk. Oorspronkelijk werkte de rijtuigschilder met lijmverven, welke met enige vernislagen werden afgedekt. Met de door de schilder zelf op primitieve wijze bereide vernis was aan deze vraag niet te voldoen. Er ontwikkelde zich speciale lakstokers, welke hun procedé geheim hielden hetgeen de vooruitgang sterk vertraagde. Tot ±1920 kan men zeggen dat alle verf- en lakprodukten, voor zover het bindmiddelen betrof, op natuurlijke grondstoffen gebaseerd waren. Van oudsher waren lijnolie, copal en terpentijn de materialen, waaruit vernis en lak werden gestookt.

Tot in het laatst van de 19e eeuw maakte de schilder al z'n verven zelf. Dit waren betrekkelijk eenvoudige producten, samengesteld uit lijnolie en pigmenten. De wrijfsteen en lopers behoorden tot de belangrijkste attributen van elke schilderswerkplaats. Omstreeks 1850 kwamen de eerste verfmolens tot ontwikkeling en werd de verfbereiding effectiever. Hieruit volgde specialisatie: schilders die zich meer en meer met verfbereiding gingen bezighouden en hun produkten aan collega's verkochten. Langzamerhand namen zij geheel geen schilderwerk meer aan.

Het begrip verffabriek was geboren, maar meestal noemde men het niet zo, omdat verffabricage omgeven was met geheimzinnigheid. Men gebruikte namen zoals: "Sociëteit voor vervaardiging van lakken en vernissen", etc.